Beleggen zit vol met termen die in het begin nogal wat weg kunnen hebben van een vreemde taal. Dit woordenboek legt de belangrijkste begrippen uit in gewone taal, zodat je ze meteen begrijpt zonder eerst weer een ander begrip te moeten opzoeken. De termen staan op alfabet; waar relevant linken we door naar de pagina waar je er dieper op ingaat.
A
Aandeel (Instrumenten) — Een aandeel is een eigendomsbewijs van een klein stukje van een bedrijf. Als aandeelhouder deel je mee in de winst (via dividend) en de waardestijging (of -daling) van het bedrijf. Zie ook: Beleggingsinstrumenten.
B
Bear market (Basis) — Een periode waarin de koersen van aandelen langdurig dalen, meestal met 20% of meer vanaf de piek. Het tegenovergestelde van een bull market.
Bedrijfsobligatie (Instrumenten) — Een lening die je verstrekt aan een bedrijf, in ruil voor een vaste rente en terugbetaling op een afgesproken datum. Risicovoller dan een staatsobligatie, maar meestal met een hoger rendement.
Beleggingsfonds (Instrumenten) — Een pot geld van veel beleggers samen, die door een fondsbeheerder wordt belegd in een mix van aandelen, obligaties of andere instrumenten. Handig als je niet zelf wilt uitzoeken welke individuele aandelen je koopt. Zie ook: Beleggingsinstrumenten.
Beleggingshorizon (Basis) — De periode waarin je van plan bent belegd te blijven voordat je het geld nodig hebt. Hoe langer je horizon, hoe meer risico je over het algemeen kunt nemen.
Beleggingsplan (Basis) — Een concreet overzicht van je doelen, beleggingshorizon, risicobereidheid en hoeveel je periodiek inlegt. De basis waarop je al je beleggingsbeslissingen baseert. Zie ook: Voorkennis.
Beursgenoteerd (Basis) — Een bedrijf waarvan de aandelen verhandelbaar zijn op een beurs, zoals Euronext Amsterdam of de New York Stock Exchange.
Beursindex (Basis) — Een mandje van aandelen dat de prestatie van een markt of sector samenvat in één getal, zoals de AEX (grote Nederlandse bedrijven) of de S&P 500 (grote Amerikaanse bedrijven).
Beursuren (Brokers) — De tijden waarop een beurs open is voor handel. Euronext Amsterdam is doorgaans open van 9:00 tot 17:30 uur.
Bied- en laatprijs (Brokers) — De biedprijs is wat kopers willen betalen, de laatprijs is wat verkopers willen ontvangen. Het verschil daartussen is de spread.
Blue chip (Sectoren) — Een groot, financieel stabiel en gevestigd bedrijf met een lange staat van dienst, zoals Shell of ASML. Wordt vaak gezien als een relatief veilige aandelenkeuze.
Box 3-heffing (Brokers) — De Nederlandse belasting op vermogen (waaronder beleggingen) boven de vrijstelling, geheven via de inkomstenbelasting.
Broker (Brokers) — Een partij waarmee je aandelen, obligaties of andere beleggingen koopt en verkoopt, zoals DEGIRO of eToro. Zie ook: Brokers vergelijken.
Bull market (Basis) — Een periode waarin de koersen langdurig stijgen en het vertrouwen van beleggers hoog is. Het tegenovergestelde van een bear market.
Buy-and-hold (Analyse) — Een strategie waarbij je beleggingen koopt en voor lange tijd vasthoudt, ongeacht kortetermijnschommelingen in de koers.
C
Cryptocurrency (Instrumenten) — Digitaal geld dat niet door een centrale bank wordt uitgegeven, zoals bitcoin of ethereum. Kent doorgaans veel hogere koersschommelingen dan traditionele beleggingen. Zie ook: Sectoren & thema’s.
Cyclische sector (Sectoren) — Een sector die sterk meebeweegt met de economie, zoals de auto-industrie of luxegoederen: het gaat goed als de economie groeit en slecht in een recessie.
D
Defensieve sector (Sectoren) — Een sector die relatief ongevoelig is voor de economische conjunctuur, zoals voeding, nutsbedrijven of gezondheidszorg: mensen blijven deze producten kopen, ook in een recessie.
Diversificatie (Basis) — Je beleggingen spreiden over verschillende aandelen, sectoren of landen, zodat je niet afhankelijk bent van één belegging. Gaat het met de één slecht, dan kan een ander dat compenseren.
Dividend (Basis) — Een deel van de winst dat een bedrijf uitkeert aan zijn aandeelhouders, meestal per kwartaal of per jaar.
Dividendaandeel (Instrumenten) — Een aandeel van een bedrijf dat structureel en vaak relatief hoog dividend uitkeert, populair bij beleggers die op zoek zijn naar periodieke inkomsten.
Dividendbelasting (Brokers) — De belasting die wordt ingehouden op dividend dat je ontvangt, in Nederland standaard 15%.
E
Edelmetalen (Sectoren) — Grondstoffen zoals goud en zilver, vaak gebruikt als bescherming tegen inflatie of onzekerheid op de markten. Zie ook: Sectoren & thema’s.
Effectenrekening (Brokers) — De rekening bij een broker of bank waarop je beleggingen worden bijgehouden.
Emittent (Basis) — De partij die een financieel product uitgeeft, zoals een bedrijf dat aandelen uitgeeft of een overheid die obligaties uitgeeft.
ETF (Instrumenten) — Een ‘exchange-traded fund’ of indexfonds: een fonds dat een hele index (zoals de AEX of S&P 500) passief volgt en op de beurs verhandelbaar is, vaak tegen lage kosten. Ook wel tracker genoemd. Zie ook: Beleggingsinstrumenten.
Execution-only (Brokers) — Een broker die alleen je orders uitvoert, zonder advies te geven. De meeste online brokers werken op deze manier. Zie ook: Brokers vergelijken.
F
Fundamentele analyse (Analyse) — Het beoordelen van een bedrijf op basis van onderliggende cijfers en factoren, zoals omzet, winst en schulden, om te bepalen of een aandeel over- of ondergewaardeerd is.
Future (Instrumenten) — Een contract waarbij je afspreekt een bepaald instrument op een vaste datum in de toekomst te kopen of verkopen tegen een vooraf afgesproken prijs. Vaak gebruikt voor grondstoffen en indices, en risicovoller dan gewone aandelen.
G
Grondstoffen (Sectoren) — Fysieke goederen zoals olie, graan, koper of goud waarin je via futures, ETF’s of aandelen van producenten kunt beleggen. Zie ook: Sectoren & thema’s.
Grondstoffen-ETF (Instrumenten) — Een indexfonds dat een mandje grondstoffen of grondstoffenbedrijven volgt, zonder dat je zelf futures hoeft te verhandelen.
Groeiaandeel (Instrumenten) — Een aandeel van een bedrijf dat sneller groeit dan gemiddeld en de winst vooral herinvesteert in plaats van uit te keren als dividend.
H
Hefboom (Brokers) — Een manier om met minder eigen geld toch een grotere positie in te nemen, waardoor winsten (maar ook verliezen) worden vergroot. Populair bij producten als turbo’s en sprinters, maar risicovoller dan gewoon beleggen. Zie ook: Brokers vergelijken.
Herbalanceren (Analyse) — Je portefeuille periodiek terugbrengen naar de oorspronkelijk gekozen verdeling tussen bijvoorbeeld aandelen en obligaties, nadat koersbewegingen die verdeling hebben verschoven.
I
Inflatie (Basis) — De algemene stijging van prijzen in de economie, waardoor je geld op termijn minder waard wordt. Een belangrijke reden om te beleggen in plaats van alleen te sparen.
K
Koers (Basis) — De actuele prijs waartegen een aandeel, obligatie of ander instrument op dat moment wordt verhandeld.
Koers-winstverhouding (K/W) (Analyse) — De koers van een aandeel gedeeld door de winst per aandeel. Een veelgebruikte maatstaf om te zien of een aandeel relatief duur of goedkoop is ten opzichte van zijn winst.
L
Large-cap / small-cap (Sectoren) — Aanduidingen voor de grootte van een beursgenoteerd bedrijf op basis van marktkapitalisatie: large-caps zijn grote, gevestigde bedrijven, small-caps zijn kleinere bedrijven met vaak meer groeipotentieel én meer risico.
Limietorder (Brokers) — Een order waarbij je zelf de maximale prijs bepaalt waartegen je wilt kopen (of de minimale prijs waartegen je wilt verkopen). Wordt alleen uitgevoerd als de koers dat niveau bereikt.
Liquiditeit (Basis) — Hoe makkelijk een belegging te kopen of verkopen is zonder dat dit de prijs sterk beïnvloedt. Aandelen van grote bedrijven zijn doorgaans liquider dan die van kleine, weinig verhandelde bedrijven.
M
Marge (Brokers) — Geleend geld dat je van je broker gebruikt om met een hefboom te beleggen. Verhoogt zowel je potentiële winst als je potentiële verlies.
Marktkapitalisatie (Basis) — De totale waarde van alle uitstaande aandelen van een bedrijf: de aandelenkoers vermenigvuldigd met het aantal uitstaande aandelen.
Marktkapitalisatie-gewogen index (Analyse) — Een beursindex waarin grotere bedrijven zwaarder meewegen dan kleinere, zoals bij de meeste bekende indices zoals de AEX en S&P 500.
Marktorder (Brokers) — Een order om direct te kopen of verkopen tegen de op dat moment beste beschikbare prijs, zonder zelf een prijslimiet in te stellen.
O
Obligatie (Instrumenten) — Een lening die je verstrekt aan een bedrijf of overheid, in ruil voor periodieke rente en terugbetaling van het geleende bedrag op de einddatum. Over het algemeen minder risicovol dan aandelen. Zie ook: Beleggingsinstrumenten.
Opkomende markten (Sectoren) — Landen met een snelgroeiende economie die nog niet de status van ontwikkeld land hebben, zoals China, India of Brazilië. Bieden vaak meer groeipotentieel, maar ook meer risico.
Optie (Instrumenten) — Een contract dat je het recht geeft (maar niet de plicht) om een aandeel op of voor een bepaalde datum te kopen of verkopen tegen een vooraf afgesproken prijs.
Order (Brokers) — Een opdracht aan je broker om een aandeel of ander instrument te kopen of verkopen.
P
Periodiek beleggen (Analyse) — Regelmatig (bijvoorbeeld maandelijks) een vast bedrag beleggen, ongeacht de koers op dat moment. Ook wel dollar-cost averaging genoemd; zorgt ervoor dat je gemiddeld instapt, in plaats van te proberen het perfecte moment te timen.
R
Rendement (Basis) — De winst (of het verlies) die je met een belegging behaalt, meestal uitgedrukt als percentage van je inleg.
Rente (Basis) — De vergoeding die je ontvangt (bijvoorbeeld bij een obligatie of spaarrekening) of betaalt (bijvoorbeeld bij een lening) over een geleend of uitgeleend bedrag.
Rente-op-rente (Basis) — Het effect waarbij je niet alleen rendement maakt over je inleg, maar ook over eerder behaald rendement — waardoor je vermogen op de lange termijn steeds sneller kan groeien.
Risico (Basis) — De kans dat een belegging minder oplevert dan verwacht, of in waarde daalt. Risico en potentieel rendement gaan doorgaans hand in hand: hoe hoger het verwachte rendement, hoe hoger meestal ook het risico. Zie ook: Voorkennis.
S
Sector-ETF (Sectoren) — Een indexfonds dat specifiek belegt in bedrijven uit één sector, zoals technologie of gezondheidszorg, in plaats van de hele markt.
Slippage (Brokers) — Het verschil tussen de prijs waartegen je dacht te kopen of verkopen en de prijs waartegen de order daadwerkelijk werd uitgevoerd, vaak bij snel bewegende markten.
Spread (Brokers) — Het verschil tussen de bied- en laatprijs van een instrument. Een kostenpost die je betaalt bovenop eventuele transactiekosten.
Spreiden (Analyse) — Zie diversificatie: je beleggingen verdelen over verschillende instrumenten, sectoren of regio’s om risico te verlagen.
Staatsobligatie (Instrumenten) — Een lening aan een overheid, doorgaans gezien als een van de veiligste vormen van beleggen (afhankelijk van het land).
Steun en weerstand (Analyse) — Prijsniveaus waarop een koers in het verleden vaker stopte met dalen (steun) of stijgen (weerstand). Veelgebruikt binnen technische analyse.
T
Technische analyse (Analyse) — Het bestuderen van koersgrafieken en handelsvolumes om toekomstige koersbewegingen te voorspellen, in plaats van te kijken naar de onderliggende bedrijfscijfers.
Techsector (Sectoren) — Bedrijven actief in technologie, zoals software, hardware, halfgeleiders en internetdiensten. Vaak een van de snelst groeiende, maar ook meest volatiele sectoren. Zie ook: Sectoren & thema’s.
Trendlijn (Analyse) — Een lijn die op een koersgrafiek wordt getrokken langs opeenvolgende hoogte- of dieptepunten, gebruikt om de richting van een trend te visualiseren.
Tracker (Instrumenten) — Een andere naam voor een ETF: een fonds dat een index passief volgt en op de beurs verhandelbaar is.
Transactiekosten (Brokers) — De kosten die een broker in rekening brengt voor het uitvoeren van een aan- of verkooporder. Zie ook: Brokers vergelijken.
Turbo/Sprinter (Instrumenten) — Hefboomproducten waarmee je met een relatief kleine inleg een grotere positie inneemt in een onderliggende waarde, zoals een aandeel of index. Kunnen snel in waarde stijgen, maar ook waardeloos worden.
V
Vastgoedfonds (REIT) (Instrumenten) — Een fonds dat belegt in vastgoed (kantoren, winkels, woningen) en de huurinkomsten grotendeels uitkeert aan beleggers, zonder dat je zelf een pand hoeft te kopen.
Vastgoedsector (Sectoren) — Bedrijven en fondsen actief in de aan- en verkoop, ontwikkeling of verhuur van onroerend goed.
Vermogensopbouw (Basis) — Het proces van je vermogen laten groeien over de tijd, bijvoorbeeld door regelmatig te beleggen en rendement te herinvesteren.
Volatiliteit (Basis) — Hoe sterk de koers van een belegging op en neer beweegt. Hoge volatiliteit betekent grotere en snellere koersschommelingen, en dus meestal meer risico.
W
Waardeaandeel (Instrumenten) — Een aandeel dat volgens fundamentele analyse ondergewaardeerd lijkt ten opzichte van de onderliggende bedrijfscijfers, met potentieel voor koersherstel.